2.11. Alice

Het café waar ik zit is een vreemde plek. Het is niet te geloven, maar hier wordt nog gerookt. En ik ben niet eens in Spanje, ik ben nog steeds in Frankrijk. De trein van Carcassonne naar Figueras stopte in Perpignan en hij bleef er lang genoeg staan om mij te doen besluiten om uit te stappen. Opeens stond ik op het perron en ik dacht te weten wat me te doen stond. Ik liep naar de stationshal en vroeg bij het informatieloket waar ik een auto kon huren. Er waren twee bedrijven binnen het stationsgebouw. Even later zat ik in een fiat 500 (een witte met zwart-witte vichy-bekleding) en reed ik richting Trescases.

Toen ik het gemeenteplein opreed zag ik meteen dat het huis van Marie-Claire bewoond was. De deur stond half open en er lag speelgoed op de trappen. Ik dacht rechtsomkeert te maken, maar toen zag ik Marie-Claire net om de hoek van het gemeentehuis komen.

‘Chris!’ riep ze, ‘Wat een verrassing!’

‘Ik ben toevallig in de streek,’ zei ik ‘en ik vroeg me af of je huis vrij was, maar niet dus…’

‘Nee,’ zei Marie-Claire glunderend, ‘het huis is de hele maand juli verhuurd. Deze familie blijft tot de eenendertigste.’

‘En daarna?’ vroeg ik.

‘Vanaf donderdag is het vrij, voor een week. Vanaf acht augustus is het opnieuw verhuurd, voor drie weken.’

‘Prima,’ zei ik, ‘dan kom ik overmorgen terug.’

‘En waar ga je nu naartoe?’ vroeg Marie Claire.

‘Weet ik nog niet,’ zei ik eerlijkheidshalve, ‘misschien naar Spanje.’ Terwijl ik het uitsprak, leek het mij niet eens een slecht idee.

‘Als je wilt, kun je vanavond in Paillac slapen, in het hotel van mijn nicht. Ik zal even bellen of ze een kamer voor je heeft.’

Marie-Claire’s nicht heet Alice en lijkt in de verste verte niet op Marie-Claire. Het enige wat ze gemeen hebben is dat ze munt slaan uit het toerisme, Marie-Claire met haar huis in het afgelegen Trescases en Alice met haar hotel in het centrum van het zomers-drukke Paillac.

Alice lijkt het hotel in haar eentje te besturen en ze staat ook zelf achter de bar, waar ze de klanten bedient met een sigaret in haar mondhoek. Ze heeft gelig geblondeerd haar dat als een soort dikke, warme kap op haar hoofd staat, ze draagt een korte nauwsluitende jurk en loopt op hoge hakken.

Ik ben hier komen zitten met mijn notitieboek, maar ik kan me moeilijk concentreren. De tv staat niet hard, maar het beeld danst in een hoek van de ruimte en leidt me voortdurend af. Er zitten een paar oudere mannen aan een tafel en drie jongere vrouwen in de pluche zeteltjes bij het raam. Iedereen rookt en overal staan asbakken. Voor de bar staat een stevige vrouw met kortgeknipt gitzwart haar en daarin een langere blauwe lok. Ze draagt een blauw-zwart geblokt hemd op een slobberige jeans. Ik dacht heel even dat ze naar me knipoogde, maar ik zal me wel vergist hebben. Voor alle zekerheid buig ik me over mijn schrift.

Ik wil iets schrijven over Nicolas, over de gesprekken die we gisteren na de middag nog hadden. We hadden het eerst over zijn revalidatie. Hij zegt dat hij geluk heeft gehad. Hij herstelde vlotter dan gemiddeld, waarschijnlijk omdat hij voordien gezond leefde en een goede conditie had. Hij voelt zich goed, merkt nog nauwelijks iets van de hindernissen die hij in het begin ervoer, maar de ongerustheid blijft. Hij durft geen lange wandeltochten meer aan. Toch niet in zijn eentje. Ik stelde voor dat we nog een keer samen zouden gaan wandelen, maar hij vond dat we beter wachtten tot het minder warm was.

Hij zei ook dat zijn kijk op het leven veranderd is, dat hij minder streng voor zichzelf geworden is en af en toe toegeeft aan impulsen, waar hij vroeger eerder terughoudend was geweest.

‘Wat voor impulsen bedoel je?’ vroeg ik, nieuwsgierig als altijd.

Hij lachte.

‘Oh, kleine dingen, gaan eten in een goed restaurant, eens een betere fles wijn kopen,  wat meer geld durven besteden aan kleding of schoenen … toegeven aan dingen die op mijn weg komen, zoals jouw telefoontje van eergisteren …’

‘Ik denk dat ik vanzelf al zo leef,’ zei ik, ‘nochtans heb ik nog nooit iets ernstigs, iets levensbedreigends aan de hand gehad.’

‘Ja,’ zei Nicolas, ‘dat had ik meteen door toen we elkaar voor de eerste keer ontmoetten. En dat vind ik eigenlijk leuk aan jou. Nu nog meer dan toen. Je hebt gelijk, hoor, we moeten dit leven zo goed mogelijk leven.’

‘Wat is dan ‘zo goed mogelijk’?’ vroeg ik.

‘Anderen behandelen zoals je zelf behandeld wil worden en tegelijk mild zijn voor jezelf. Je af en toe een plezier gunnen.’

Zou die lichte kus op mijn lippen ook zo’n plezier zijn geweest? Ik wil er niet al te veel belang aan hechten. Beter niets verwachten dan teleurgesteld te worden.

Na dat gesprek moest ik aan Louise denken. Ik voelde nog steeds wat ergernis naar haar, maar tegelijk kon ik haar maar niet uit mijn hoofd zetten. Louise doet zichzelf ook plezier, dacht ik. En het is omwille van Louise dat ik hier nu in Paillac gestrand ben en over een paar dagen weer in Trescases zal zijn. Ik wil haar verrassen in Trescases. Vrijdagochtend, als ze om halftien de post komt brengen, zal ik op de drempel staan en haar uitnodigen om een kopje koffie te komen drinken. Want ik wil met haar praten.

image

 

 

2 gedachten over “2.11. Alice”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s